Gemummificeerde dochters van farao’s die duizenden jaren geleden leefden, vertonen botveranderingen die erop wijzen dat zij vochten met bogen en dolken.
Oude Egyptische prinsessen kregen waarschijnlijk training in het gebruik van bogen en dolken. Ze liepen daardoor het risico om ernstig verwond te raken. Onderzoekers hebben Egyptische mummies van zo’n 3800 jaar oud opnieuw onderzocht en zagen dat sommige van deze vrouwen vergrote armbeenderen en krommingen in de botten van hun handpalmen hadden. Dat wijst erop dat zij de wapens waarmee ze vaak werden begraven daadwerkelijk intensief gebruikten.
‘Ze namen hun bogen en dolken mee naar het hiernamaals, niet alleen als sierobjecten, maar als getuigenissen van het actieve, veerkrachtige en krachtige leven dat zij hadden geleid’, zegt archeoloog Zeinab Hashesh van de Beni-Suef-universiteit in Egypte.
Dochters van Amenemhat II
Bij vrouwen uit tal van culturen zijn door de geschiedenis heen wapens in graven aangetroffen. Maar er was al lange tijd discussie over de vraag of die puur symbolisch waren, of dat ze erop wijzen dat deze vrouwen de wapens ook echt gebruikten.
Hashesh en haar collega’s onderzochten zes koninklijke mummies – van wie vijf vrouwen – die gevonden zijn in Dasjoer, een archeologische locatie waar veel piramides en grafmonumenten uit het Egyptische Middenrijk te vinden zijn. De overblijfselen dateren van ongeveer 1850 tot 1700 v.Chr. De vierduizendjaar oude mummies, waarvan sommige samen met bogen en pijlen waren begraven, werden al in de jaren 1890 opgegraven. Tijdens een inventarisatieproject in het Egyptisch Museum in Caïro in 2020 kwamen ze opnieuw boven water.
Het onderzoeksteam analyseerde de botten om meer te weten te komen over het leven van deze leden van de koninklijke familie. Van vier van hen wordt aangenomen dat zij dochters waren van farao Amenemhat II.
Versierde dolk
Een van de belangrijkste bevindingen betreft prinses Ita, die tussen de 28 en 34 jaar oud was toen zij overleed. Zij werd begraven met een rijk versierde dolk van goud en de azuurblauwe steen lapis lazuli en haar onderarmbotten vertonen sterke aanhechtingen voor spieren en pezen. Ook moeten de spieren van haar handen zeer krachtig zijn geweest. Volgens Hashesh wijst dat op het herhaaldelijk vastgrijpen van wapens zoals dolken of strijdknotsen.
Bij de prinsessen Noub-Hotep (40 tot 44 jaar oud) en Itaweret (20 tot 34 jaar oud) stelden de onderzoekers een verdikking van het spaakbeen in de onderarm vast. Die kan ontstaan zijn als aanpassing aan de herhaalde belasting van het spannen van een boog. Noub-Hotep, die samen met pijlen werd begraven, had bovendien een kromming van het tweede middenhandsbeentje van haar rechterhand en extra sterke aanhechtingen van de vingerspieren. Dit wijst mogelijk op de langdurige mechanische belasting die hoort bij het vasthouden van een boog en past bij een zogeheten ‘boogschuttersgreep’.

Vaardig bestaan
‘Ik stel me voor dat het leven van prinsessen als Noub-Hotep en Ita verre van het zittende, louter decoratieve bestaan was dat we vaak met koninklijke vrouwen uit de oudheid associëren’, zegt Hashesh. ‘Om de boogschuttersgreep en de structurele vervormingen van de handbotten te ontwikkelen die we bij Noub-Hotep zien, moeten zij al op jonge leeftijd zijn begonnen met training in boogschieten en krijgskunsten.’
Ook archeoloog Michelle Langley van Australische Griffith-universiteit zegt dat dit onderzoek ons een uniek inkijkje geeft in het leven van deze prinsessen. ‘Koninklijke vrouwen zaten niet simpelweg in een paleis of liepen slechts achter de mannen aan; ze leidden een actief en vaardig bestaan. Ze werden getraind in praktische krijgskunsten en jachttechnieken, net zoals we ons voorstellen dat hun vaders en broers dat werden.’
Verwondingen
De botten van de prinsessen laten ook zien dat verwondingen waarschijnlijk geen uitzondering waren. Zo had prinses Itaweret meerdere gebroken ribben en breuken in haar voet overleefd. Volgens Hashesh zijn die vermoedelijk het gevolg van ongelukken of zware klappen.
‘Dit vertelt ons dat deze vrouwen zich daadwerkelijk buitenshuis begaven en mogelijk dingen deden waarbij de kans op vallen of harde klappen aanzienlijk was’, zegt Hashesh. Wanneer zij gewond raakten, hadden ze dankzij hun hoge status toegang tot bekwame artsen die botbreuken zo goed konden zetten dat ze zonder infecties of afwijkingen genazen.
Toch plaats archeoloog Sonia Zakrzewski van de Universiteit van Southampton in het Verenigd Koninkrijk een kanttekening bij die conclusies. Volgens haar kunnen vergelijkbare veranderingen aan arm- en handbotten ook door heel andere activiteiten zijn ontstaan, zoals veelvuldig jongleren of het werken met een zeis. ‘Als we een tennisser zouden opgraven die met een knuppel was begraven, kunnen we ook niet zomaar concluderen dat de vergelijkbare botveranderingen zijn ontstaan doordat hij mensen met die knuppel sloeg’, zegt ze.

Geef een reactie