Bewaard gebleven plantencellen tonen aan dat mensen gedurende duizenden jaren grassen naar de Cloggs-grot in Australië brachten en daar ritueel verbrandden. Deze ontdekking onthult de eeuwenoude oorsprong van rituelen van het GunaiKurnai-volk.
De ontdekking van lagen as van gras die teruggaan tot 25.000 jaar geleden, wijst erop dat een grot in het zuidoosten van Australië meer dan duizend generaties lang het toneel was van uitgebreide rituelen van de inheemse bewoners.
De Cloggs-grot ligt in het traditionele leefgebied van het GunaiKurnai-volk in het zuidoosten van de Australische deelstaat Victoria. In 2024 maakten archeologen en vertegenwoordigers van de GunaiKurnai bekend dat in de grot eeuwenoude voorwerpen waren gevonden. Die vondst leverde bewijs voor de opmerkelijke mogelijkheid dat een ritueel zo’n 12.000 jaar lang ononderbroken van generatie op generatie is doorgegeven en zelfs tot in de moderne tijd is blijven voortbestaan.
Nu hebben archeoloog Bruno David van de Monash-universiteit in Melbourne, GunaiKurnai-ouderling Russell Mullett en hun collega’s aangetoond dat de grot al meer dan twee keer zo lang voor rituele praktijken werd gebruikt als we tot nu toe aannamen. Die rituelen zouden onder meer bedoeld zijn geweest voor magie, genezing en het uitspreken van vervloekingen.
Gras-as
Het onderzoeksteam vond duizenden microscopisch kleine – zo groot als slibdeeltjes – geconserveerde plantencellen, zogeheten fytolieten. Die ontstaan wanneer planten opgelost silicium uit de bodem opnemen en dit als silica in hun weefsels afzetten. Deze piepkleine deeltjes blijven vaak bewaard terwijl de rest van de plant vergaat.
Grassen vormden veruit de belangrijkste vegetatie: 97 procent van de verbrande fytolieten die de onderzoekers in de grot aantroffen, was afkomstig van grassen. Volgens David komt dat doordat grassen bij verbranding vrijwel direct tot as vergaan, in plaats van houtskool te vormen. Juist die as zou een belangrijke rol hebben gespeeld bij de rituelen.
Deze fossiele fytolieten wijzen erop dat mensen complete grasplanten, inclusief de wortels, naar de grot brachten en daar verbrandden, zegt David. Daardoor vormden zich telkens dunne laagjes as.
Culturele gebruiken
De onderzoekers konden dit verbranden van gras vervolgens koppelen aan de culturele gebruiken die de antropoloog Alfred Howitt heeft beschreven. In de jaren 1880 legde Howitt in andere delen van het land van de GunaiKurnai de rituelen vast van invloedrijke medicijnmannen en -vrouwen, die hij omschreef als ‘tovenaars’. Uit zijn verslagen blijkt dat as in de negentiende eeuw een belangrijk onderdeel vormde van de rituelen van de GunaiKurnai.
‘Het ritueel verbranden van gras in de Cloggs-grot gaat terug tot 25.000 jaar geleden. Tussen 4400 en 1600 jaar geleden werden de aslagen vaker aangelegd en verspreidden ze zich over een groter deel van de grot’, zegt David.
Ongeveer 2000 jaar geleden plaatste men in de grot een rechtopstaande steen. In de daaropvolgende vier eeuwen verbrandden ze rondom deze steen herhaaldelijk gras.
Anders dan stuifmeel, dat door de wind kan worden meegevoerd, worden fytolieten doorgaans afgezet op de plek waar de plant groeide waarvan ze afkomstig zijn. Het onderzoeksteam kon bovendien uitsluiten dat de fossielen tijdens een overstroming de grot waren binnengespoeld. In de grot troffen de onderzoekers ook fytolieten aan die afkomstig waren uit de uitwerpselen van de gewone voskoesoe (Trichosurus vulpecula), een buideldier dat ook gras en andere planten eet. Omdat deze resten geen sporen van verbranding vertoonden, waren ze duidelijk te onderscheiden van de fytolieten die door menselijke activiteiten waren ontstaan.
Verschillende rituelen
De archeologen troffen de lagen gras-as niet altijd aan in combinatie met dezelfde soort archeologische vondsten. Dat wijst erop dat ze het resultaat waren van verschillende rituele praktijken die het volk in de grot uitvoerde, zegt David.
‘De rode draad is dat mensen steeds opnieuw gras verzamelden en verbrandden’, zegt hij. ‘Vóór 4400 jaar geleden gebeurde dat minder regelmatig en veel minder vaak. Daardoor ontstonden niet de dikke aslagen die we vanaf 4400 jaar geleden zien. Wel vonden in die eerdere periode andere rituele activiteiten plaats, waarbij ze stalactieten gebruikten en kleine vuurtjes stookten met kort houten stokken die ze met vet insmeerden.’
Volgens archeoloog Anna Florin van de Australische Nationale Universiteit in Canberra heeft archeobotanisch onderzoek lange tijd een ondergeschikte rol gespeeld binnen de Australische archeologie. Daardoor is ‘een groot deel van het leven in het verleden onvoldoende onderzocht’.
‘Dit is een geweldig onderzoek, waarin de onderzoekers een zorgvuldige wetenschappelijke analyse van fytolieten verweven met de culturele kennis van de GunaiKurnai. Zo tonen ze aan dat mensen uit dit volk gedurende vele millennia doelbewust grassen verzamelden en verbrandden in de Cloggs-grot om rituele praktijken te ondersteunen’, aldus Florin.

Geef een reactie