Meer dan 5000 jaar geleden is een Siberische gemeenschap getroffen door een pestuitbraak. Dat blijkt uit DNA-bewijs. De vondst is in strijd met het idee dat er voor de opkomst van de landbouw geen grootschalige ziekte-uitbraken waren.
DNA van jager-verzamelaars bij het Baikalmeer in Siberië wijst erop dat pestbacteriën 5500 jaar geleden al dodelijk waren. Deze ontdekking zet een langlopende theorie op losse schroeven: het idee dat grootschalige pestuitbraken tegelijk opkwamen met de ontwikkeling van landbouw, tijdens de zogeheten neolithische revolutie.
‘De verwachting was dat ziekte-uitbraken die hele gemeenschappen troffen helemaal niet voorkwamen voor de neolithische revolutie’, zegt archeoloog Ruairidh Macleod van de Oxford-universiteit in Engeland, die het onderzoek leidde. ‘Wat we hier zien, is helder bewijs voor een pestuitbraak met dodelijke gevolgen voor een complete jager-verzamelaarsgemeenschap uit Baikal. Dat gaat dus recht tegen die verwachting in.’
Builenpest
De bacterie Yersinia pestis heeft een aantal van de meest dodelijke pandemieën uit onze geschiedenis op zijn kerfstok. Denk aan de pest van Justinianus, die 541 jaar n.Chr. toesloeg, of de Zwarte Dood die begon in 1346. Een derde pestpandemie eiste vanaf 1855 de levens van minstens 15 miljoen mensen wereldwijd.
Y. pestis kan de longen of het bloed van mensen infecteren, wat het een longpest of een pestsepsis maakt. Maar nog gebruikelijker is de builenpest, waarbij de bacteriën via vlooienbeten de lymfeklieren binnendringen. De klieren zwellen vervolgens op tot enorme builen.
Wilde vlooien
DNA-analysetechnieken maken het mogelijk om de aanwezigheid van Y. pestis te detecteren in de botten en tanden van mensen die honderden of duizenden jaren geleden zijn begraven. Dit soort analyses onthulden eerder al eens dat de pest zo’n 5000 jaar geleden boerengemeenschappen heeft geïnfecteerd, onder meer in Zweden.
Deze ontdekkingen wekten de suggestie dat de pest verantwoordelijk was voor de zogeheten neolithische daling rond die tijd: de Europese populatiecijfers kelderden plots. Maar de studies lieten ook zien dat vroege varianten van Y. pestis een belangrijk gen misten – het ymt-gen – dat de bacterie in staat stelt zich via vlooienbeten te verspreiden.
Het ymt-gen zorgt voor de aanmaak van een eiwit dat samenklontert in de darmen van een met pest geïnfecteerde vlo. Dat proces hongert de vlo uit en geeft de pestbacteriën de kans om zich op te hopen vlak bij de monddelen van de vlo. ‘Zo beroven ze de vlooien van hun maaltijd, bestaande uit het bloed van hun gastheer. De vlooien gaan daardoor in de wilde weg om zich heen bijten’, zegt Macleod.
Gedeelde graven
De veronderstelling was dat Y. pestis geen grote, dodelijke uitbraken kon veroorzaken totdat hij dit ymt-gen had bemachtigd, zegt Macleod. Maar zijn onderzoeksteam heeft de bacterie nu aangetroffen in 18 van de 42 jager-verzamelaars uit vier opgravingen rondom het Baikalmeer. ‘Eindelijk hebben we overtuigend bewijs dat de peststammen uit deze tijd evengoed dodelijk waren’, zegt Macleod.
Het lijkt erop dat er twee uitbraken zijn geweest. De eerste begon zich 5500 jaar geleden te verspreiden. ‘We zien graven waarin broers en zussen samen begraven liggen, omdat ze schijnbaar gelijktijdig zijn overleden’, zegt Macleod. ‘En we zien gedeelde graven met vier of vijf mensen, die waarschijnlijk rond dezelfde tijd stierven.’
Veel van deze pestslachtoffers waren kinderen of tieners. De onderzoekers die ze opgroeven, in de jaren tachtig, hebben een lange tijd het hoofd gebroken over waarom dat zo is. Nu is duidelijk dat dit consistent is met historische bronnen die stellen dat kinderen veel meer kans hadden om aan de pest te overlijden.
Daarnaast is het duidelijk dat er overlevenden waren die de doden hebben begraven. Dat gebeurde zelfs met de gebruikelijke ceremonies. ‘Het is erg ontroerend dat we een inkijkje hebben in hoe deze jager-verzamelaarsgemeenschappen reageerden’, zegt Macleod.
Marmotten
Jager-verzamelaars hadden meer contact met wilde dieren dan boeren, zegt Macleod. Daardoor hadden ze een hogere kans op blootstelling aan dierlijke virussen en bacteriën die ook mensen kunnen infecteren.
Het team veronderstelt dat deze jager-verzamelaars de pest van marmotten hebben opgepikt. Marmotten zijn namelijk het favoriete opslagreservoir van de pest. Bewijs van andere opgravingen laat bovendien zien dat mensen in deze periode op de beesten hebben gejaagd. Nadat de eerste jager-verzamelaar besmet raakte, zou de ziekte zich via hoesten kunnen hebben verspreid in de gemeenschap.
Vandaag de dag lopen mensen uit de omgeving van het Baikalmeer soms nog steeds de pest op door contact met marmotten of het eten van te kort gekookt marmottenvlees, zegt Macleod.
Prehistorisch bewijs
Op basis van een genoomanalyse van de bacteriën denkt het team dat Y. pestis zich begon te evolueren tussen de 9800 en 5700 jaar geleden, waarbij de meest recente datum het waarschijnlijkst is. Het zou dus kunnen dat er nóg oudere pestuitbraken zijn geweest – maar niet heel veel ouder.
‘Deze studie is uniek op meerdere vlakken’, zegt geneticus Nicolás Rascovan van het Pasteur-instituut in Frankrijk. Het betreft de oudste, meest oostelijke pestuitbraak die bekend is en die jager-verzamelaars trof in plaats van boeren, zegt hij. ‘De vondst getuigt van een prehistorische uitbraak die volledig ingaat tegen de gedachte dat het landbouwleven de drijfveer was achter de opkomst van de pest.’
‘Het onderzoek toont aan dat Y. pestis al dodelijke uitbraken veroorzaakte in samenlevingen zonder agricultuur, wat erg interessant is. Maar dat sluit voor mij niet uit dat de pest nog steeds een belangrijke rol kan hebben gespeeld in de laat-neolithische populatiekrimp in Europa’, zegt Rascovan.

Geef een reactie