Duizenden jaren voor de uitvinding van kompassen of zeilen staken prehistorische volkeren al oceanen over om afgelegen eilanden zoals Malta en Australië te bereiken. Hoe deden ze dat? En wat vertellen zulke overtochten ons over hun leven?
Malta is een van de meest afgelegen eilanden in de Middellandse Zee. Het dichtstbijzijnde land is dat van het eiland Sicilië, zo’n 85 kilometer naar het noorden. Per veerboot en vliegtuig is Malta tegenwoordig gemakkelijk te bereiken, maar lang geleden was dat heel lastig. Het ligt zo ver van Sicilië dat je het daarvandaan nog maar net aan de horizon kunt zien liggen – althans vanaf zeeniveau. Er met een kano naartoe peddelen zou ruim 24 uur duren, dus je zou op de sterren moeten navigeren zodra het donker wordt.
Kortom, als je het hebt over plekken waarvan je mag verwachten dat mensen uit de steentijd die konden bereiken, dan staat Malta niet bovenaan het lijstje. En toch is ze dat gelukt.
Dat weten we dankzij archeoloog Eleanor Scerri van het Max Planck-instituut voor Geoantropologie in het Duitse Jena en haar collega’s. Tussen 2021 en 2023 groeven zij een zinkgat uit in het noorden van Malta. De onderzoekers vonden resten van menselijke aanwezigheid: as van een houtvuur, stenen gebruiksvoorwerpen en hertenbotten met hak- en snijsporen. Uit koolstofdatering van de resten volgde dat 8500 jaar geleden mensen op Malta moeten hebben gewoond, zo meldde het onderzoeksteam in april 2025 in het wetenschappelijke tijdschrift Nature.
In één keer kon duizend jaar extra worden toegevoegd aan de periode van menselijke aanwezigheid op het eiland. En niet alleen ging het hier om mensen uit de steentijd, het waren ook nog eens jager-verzamelaars – in plaats van landbouwers die geavanceerd gereedschap gebruikten. Archeologen gingen er lang van uit dat jager-verzamelaars geen grote zeeën waren overgestoken. Scerri’s team bewees het tegendeel.
Het is een resultaat dat nieuw licht werpt op de controversiële kwestie of oeroude volken de zeeën bevoeren. Het doet allerlei intrigerende vragen opborrelen. Als jager-verzamelaars uit het gebied rond de Middellandse Zee 8500 jaar geleden een afstand van bijna 100 kilometer over zee konden afleggen, welke wateren staken ze dan nog meer over? Hoe ver terug in de prehistorie gaat reizen over zee? En wat zeggen die zeereizen over die vroege mensen?

Drentse kano
Een groot deel van de 20e eeuw gingen experts op het gebied van de prehistorie ervan uit dat mensen pas vrij recent verafgelegen eilanden aandeden, zegt archeoloog Dylan Gaffney van de Universiteit van Oxford in het Verenigd Koninkrijk. Dat klopt als het gaat om eilanden die ver weg op de Grote Oceaan liggen, zoals Hawaï en Paaseiland. Die werden pas zo’n 2000 jaar geleden gekoloniseerd door mensen die bijzonder goed konden navigeren. Andere eilanden zijn echter veel gemakkelijker te bereiken.
Maar wanneer wetenschappers proberen te achterhalen wanneer mensen voor het eerst het ruime sop kozen, stuiten ze onmiddellijk op een probleem. Boten blijven niet lang bewaard, want die bestaan normaal gesproken uit vergankelijke materialen zoals hout en dierenhuiden. De vroegst bekende boten zijn daardoor niet heel oud. De oudste, de zogeheten kano van Pesse, werd rond 8000 v.Chr. vervaardigd en is in 1955 gevonden toen het Drentse Blikkenveen werd uitgegraven. Bij As-Sabiyah, in Koeweit, ontdekten onderzoekers de overblijfselen van een rieten boot van ongeveer 7000 jaar geleden. En in een onder water gelopen dorp bij het Italiaanse Lago Bracciano lagen vijf kano’s die zo’n 7900 tot 6800 jaar geleden werden gemaakt.
Deze vondsten stammen uit een periode die belangrijk was in de geschiedenis van Eurazië. Mensen leefden daar toen al tienduizenden jaren als jager-verzamelaars. Maar er waren regio’s, zoals de Vruchtbare Sikkel in het Midden-Oosten, waar bevolkingsgroepen landbouw begonnen te bedrijven. Ze verbouwden gewassen, zoals tarwe, en domesticeerden dieren, waaronder runderen. Zulke groepen breidden zich snel uit, en de landbouw begon het jagen en verzamelen steeds meer te verdringen. Later ontstonden in die landbouwgemeenschappen nieuwe uitvindingen, zoals het schrift, georganiseerde religie en imperiumvorming.
Als op afgelegen eilanden mensen woonden, dan moeten ze daar op de een of andere manier naartoe zijn gegaan
Bijna alle ontdekte oude boten zijn in verband gebracht met die landbouwgemeenschappen. De kano van Pesse is de enige die dateert van vóór de komst van de landbouw. Vandaar dat archeologen geneigd waren te denken dat jager-verzamelaars geen boten maakten of konden maken. De zeevaart, zo concludeerden ze, was iets van de moderne tijd.
Vulkanisch glas
Dat idee is in de afgelopen twintig jaar veranderd. ‘Er is sprake van een omslag’, zegt Gaffney. ‘Er zijn vondsten op eilanden gedaan die wijzen op veel eerdere zeereizen.’ Als op afgelegen eilanden zoals Malta mensen woonden, dan moeten ze daar op de een of andere manier naartoe zijn gegaan. Voorbij een bepaalde afstand is zwemmen niet meer mogelijk, dus moeten ze vaartuigen hebben gehad. ‘Het gaat hier om een vrij nieuw onderzoeksgebied’, zegt archeoloog Curtis Runnels van de Universiteit van Boston in de Verenigde Staten. ‘Er zijn veel verschillende meningen, en die botsen nog weleens.’
Eén regio waar de zeevaart misschien is begonnen, is het noordwesten van Schotland. Voor de kust ligt daar de eilandengroep de Hebriden, zegt archeoloog Stephanie Blankshein van de Universiteit van Southampton in het VK. Jager-verzamelaars uit het midden van de steentijd voeren 10.000 jaar geleden al naar die eilanden toe. Bepaalde steensoorten, die alleen op sommige van die eilanden voorkomen, zijn gevonden op het vasteland van Groot-Brittannië. ‘Daardoor weten we dat volken uit die tijd tussen het vasteland en de eilanden heen en weer voeren’, zegt Blankshein. De vaarroutes waren onstuimig, met snelle stromingen en krachtige getijden, maar de eilanden liggen redelijk dicht bij elkaar.

Volgens archeoloog John Cherry van de Brown-universiteit in de VS is bewijs voor zeevaart over veel langere afstanden afkomstig uit twee regio’s: het gebied rond de Middellandse Zee en Zuidoost-Azië.
Dat er al in de steentijd op de Middellandse Zee werd gevaren, blijkt onder meer uit vondsten in de grot van Franchthi, op de Peloponnesos in Griekenland. In 1973 beschreven archeologen dat er stukken obsidiaan, vulkanisch glas, in de grot waren aangetroffen. Die stukken waren afkomstig van het eiland Melos, ruim 100 kilometer naar het zuidoosten. In 2011 werd het obsidiaan gedateerd op 13.000 jaar oud, wat erop lijkt te wijzen dat jager-verzamelaars in die tijd van en naar Melos voeren.
Maar de oudste bewijzen van zeereizen over grote afstanden zijn aangetroffen in Zuidoost-Azië en Australazië. Die zijn maar liefst 100.000 tot zelfs een miljoen jaar of meer oud.
Diepe watermassa
Zo’n 70.000 tot 60.000 jaar geleden verlieten grote groepen mensen Afrika – wellicht omdat hun aantal was gestegen of omdat ze hadden geleerd zich in meer verschillende ecosystemen staande te houden. Sommige groepen trokken naar het oosten, doorkruisten Azië en bereikten de uiterste zuidoostgrens van het continent, bij het hedendaagse Maleisië.
Deze omgeving lag er destijds anders bij dan nu. De aarde bevond zich in een ijstijd, waardoor enorme hoeveelheden water lagen opgeslagen in ijskappen. Als gevolg daarvan was de zeespiegel laag. Gebieden waar tegenwoordig een ondiepe zee ligt, stonden droog. De hedendaagse Indonesische eilanden Borneo, Sumatra en Java waren verbonden met het vasteland van Azië en vormden een landmassa genaamd Soendaland. Mensen konden van wat tegenwoordig Thailand en Vietnam heet helemaal naar het uiterste oostpuntje van Java lopen zonder zeewater te hoeven oversteken.
Daar stopte hun opmars waarschijnlijk, doordat ze er stuitten op een diepe watermassa met een sterke stroming. Verder naar het zuiden en oosten lag een andere grote landmassa, genaamd Sahoel, die bestond uit Australië en Nieuw-Guinea, die met elkaar waren verbonden. Maar Sahoel lag ver voorbij de horizon – al zullen trekvogels en rook van natuurbranden de toenmalige bewoners erop hebben gewezen dat het bestond. Voor hen lag open water vol eilanden, waaronder Sulawesi en Timor.
De omstandigheden in Zuidoost-Azië waren gunstig: warm water, genoeg bouwmateriaal en kleine afstanden
Perfecte omstandigheden
Toch bereikten de mensen Sahoel al snel. In 2022 vonden archeologen in Madjedbebe, een onderkomen in de rotsen in Noord-Australië, tot wel 65.000 jaar oude stenen werktuigen. Hoewel niet iedereen het over die ouderdom eens is, staat volgens Gaffney buiten kijf dat er minstens 50.000 jaar geleden mensen in Australië leefden. En uit andere vondsten blijkt dat 49.000 jaar geleden al mensen op Nieuw-Guinea rondliepen.
Gaffney deed opgravingen op de Raja Ampat-eilanden, iets ten westen van Nieuw-Guinea. In 2024 beschreef zijn onderzoeksteam een stuk hard geworden hars dat erop wijst dat daar 55.000 jaar geleden mensen leefden. Het idee is dat die vanuit Soendaland naar het oosten waren getrokken, Raja Ampat hadden bereikt en van daaruit door waren gegaan naar Sahoel.
Op zich is het niet heel verrassend dat mensen in Zuidoost-Azië al zo vroeg de zeeën bevoeren, zegt Gaffney. Verschillende omstandigheden hebben daaraan bijgedragen. ‘Het water was warm. Ze hadden veel bomen en planten om vlotten van te bouwen. De afstand tussen sommige eilanden is niet zo groot.’ Dit alles betekent dat we de zeevaart nog vroeger in de prehistorie kunnen dateren: 65.000 jaar of nog verder terug, in plaats van de ongeveer 8000 jaar geleden die volgde uit de kano van Pesse en de reizen naar de Hebriden.

Avontuurlijke mensachtigen
Toch is dat nog maar een fractie van de hele geschiedenis van de mensheid. Onze soort, Homo sapiens, ontstond in Afrika, waarschijnlijk zo’n 300.000 jaar geleden. Maar al ongeveer 7 miljoen jaar geleden liepen er mensachtigen op aarde rond. Het leefgebied van de oudste soorten lijkt zich tot Afrika te hebben beperkt, maar andere trokken ongeveer 2 miljoen jaar geleden naar Eurazië. Homo erectus schopte het helemaal tot Java, terwijl in Europa en West-Azië honderdduizenden jaren lang neanderthalers leefden. Legde een van die zogeheten hominiden destijds al grote afstanden over water af?
Het argument voor het idee dat de eerste mensen boten gebruikten om Australië te bereiken, is simpel: er was gewoonweg geen andere manier om er te komen. Was een stuk grond van oudsher altijd al een eiland en zijn er sporen van mensachtigen op aangetroffen, dan waren dat per definitie zeevaarders.
Op grond van die logica kun je zeereizen nog veel vroeger in de prehistorie dateren. Op het eiland Flores, ten oosten van Java, kwam een unieke mensachtige voor, de Floresmens of Homo floresiensis, die voor het eerst werd beschreven in 2004. Omdat de leden van deze soort klein waren, nauwelijks één meter lang, hebben ze de bijnaam ‘hobbits’ gekregen. De fossiele vondsten zijn beperkt, maar het ziet ernaar uit dat de hobbits tussen de 190.000 en 50.000 jaar geleden op Flores leefden. ‘Flores heeft nooit via land in verbinding gestaan met naastgelegen eilanden’, zegt Cherry.
Nog langer geleden leefde er een mysterieuze groep hominiden op het eiland Luzon, onderdeel van de huidige Filippijnen. Homo luzonensis werd pas in 2019 ontdekt, waardoor we er nog niet veel over weten. De fossielen zijn allemaal in één grot gevonden en tussen de 67.000 en 50.000 jaar oud. Maar een wetenschappelijk artikel uit 2018 maakt melding van botten van neushoorns die op het eiland zijn geslacht, wat doet vermoeden dat hominiden zelfs al zo’n 709.000 jaar geleden op het eiland aanwezig waren.
In augustus 2025 beschreven onderzoekers de alleroudste vondst tot dusver, op het eiland Sulawesi: zeven stenen gereedschappen van tussen de 1,48 en 1,04 miljoen jaar oud. Ze vormen het oudste bewijs van de aanwezigheid van mensachtigen op het eiland. Een aantal wetenschappers stelt dat die vondst bewijst dat mensachtigen al honderdduizenden jaren geleden de zeeën bevoeren. Cherry en Gaffney zijn voorzichtiger en zeggen dat je dit nog niet met enige zekerheid kunt beweren.
Alleen op een eiland
Als een groepje mensachtigen door een ongelukkige speling van het lot op open zee belandde en toevallig op een eiland terechtkwam, betekende dat dan niet hun einde? Zo’n groep moet namelijk heel klein geweest zijn, wat voortplanting heel moeilijk maakt.
Je zou daardoor zomaar kunnen denken dat elk spoor van mensachtigen op een eiland een teken is van bewuste zeereizen door relatief grote groepen mensachtigen. Maar dat klopt niet: kleine groepen blijken het verrassend lang uit te kunnen houden.
Ecologen spreken in dit verband van ‘uitsterfschuld’. Soms kan een ecosysteem ernstige klappen hebben gekregen, maar hebben de gevolgen daarvan zich nog niet helemaal laten voelen. Soorten kunnen het in zo’n situatie nog een tijdje volhouden, ook al zijn ze gedoemd ten onder te gaan. Groepjes mensachtigen op eilanden zullen hun ondergang hebben zien aankomen, maar dat weerhield ze er niet van het nog vele generaties vol te houden. Dat is lang genoeg om archeologische sporen na te laten.
Misschien verklaart dat zelfs enkele van de eigenaardigheden van mensachtigen die op eilanden leefden. Waarom waren de Floresmens, bijnaam ‘hobbit’, en Homo luzonensis zo klein? We weten het niet, maar er is wel geopperd dat het gebrek aan genetische diversiteit van de oorspronkelijke koloniserende groepjes ertoe heeft geleid dat zij een ongewone evolutie hebben doorgemaakt.
Reislustige leguanen
Immers: soms steken dieren per ongeluk een oceaan over. En dat kan ook met mensachtigen zijn gebeurd. Misschien zijn ze na een overstroming of tsunami de zee in gesleurd, drijvend op vegetatie. Zuid-Azië heeft een moessonklimaat: zware regenval en overstromingen komen er veel voor.
Zelfs vandaag de dag komt het volgens Cherry veelvuldig voor dat ‘enorme drijvende ‘vlotten‘ van vegetatie op zee terechtkomen, waarop zich naast bomen en planten ook dieren zoals primaten bevinden.’ Zulke toevallige reizen per vlot doen zich incidenteel voor en de dieren overleven het vaak niet. Maar over lange perioden bezien zullen sommige van die reizen ongetwijfeld goed zijn afgelopen.
‘Mijn favoriete voorbeeld is de scheiding tussen apen uit de Oude en de Nieuwe Wereld’, zegt Cherry. De apen in Zuid-Amerika van nu zijn verre verwanten van die in Afrika en Eurazië: beide groepen zijn tientallen miljoenen jaren geleden van elkaar gescheiden geraakt. De meest logische verklaring is dat een groep apen bij toeval over de Atlantische Oceaan naar het westen is gedreven, van Afrika naar Zuid-Amerika, in een tijd waarin de oceaan nog niet zo breed was als nu. ‘Voor mij is het zonneklaar dat dat is gebeurd’, zegt Cherry.
Een onderzoek waarover in maart 2025 werd gepubliceerd, maakt aannemelijk dat leguanen een zelfs nog indrukwekkendere weg hebben afgelegd. Op de eilanden die deel uitmaken van Fiji, dat ten oosten van Australië ligt, zijn namelijk leguanen te vinden waarvan de meest naaste verwanten leguanen zijn die in de woestijn van Noord-Amerika leven. Dat wijst erop dat 30 miljoen jaar geleden waarschijnlijk een stel leguanen op een plantaardig vlot de Stille Oceaan over is gedreven: een reis van ruim 8000 kilometer. Dat is, stelt Cherry droogjes, ‘waarschijnlijk een record.’

In Zuidoost-Azië ‘zie je na noodweer vaak grote hoeveelheden drijfhout en allerlei plantaardig materiaal de rivieren af drijven’, zegt Gaffney. ‘Dus je ziet die mensachtigen bijna voor je, zich vastklampend aan boomstammen of mangroven, terwijl ze worden meegevoerd naar verschillende eilanden.’
Doelbewuste acties
Dat wil niet zeggen dat het vroege mensachtigen ontbrak aan maritieme vaardigheden. ‘Misschien waren ze in staat te blijven drijven, zich aan zulke vlotten vast te klampen, te peddelen en misschien zelfs te zwemmen’, zegt Gaffney. ‘Als ze op open zee belandden, hielden ze het waarschijnlijk langer vol dan andere dieren.’
Gaffney vindt dat we alleen mogen spreken van doelbewuste zeereizen als er vaartuigen in het spel waren en een waterweg meer dan eens werd overgestoken. Flores, Luzon en Sulawesi zijn goed voor een handjevol zeereizen in een miljoen jaar, die zich gemakkelijk door toeval laten verklaren. Daarentegen gaat het bij de reizen die de moderne mens ongeveer 60.000 jaar geleden maakte naar Australië om meerdere oversteken binnen een tijdspanne van hoogstens 20.000 jaar. Dat is ‘een oogwenk’, zegt Gaffney, en ‘laat zien dat mensen doelbewust iets deden.’
Ook al zijn er dan geen boten van tienduizenden jaren geleden bewaard gebleven, we weten dat mensen beschikten over ‘samengestelde technologie’, zegt Gaffney. Dat wil zeggen dat ze twee of meer voorwerpen konden combineren. Ze bevestigden bijvoorbeeld een stenen werktuig aan een speer. ‘We weten dat ze hars en hechtmiddelen gebruikten. Ze hadden touw en vlechtwerk, bamboe… Ze hadden alles wat nodig is om een vlot te bouwen’, zegt hij. We beschikken echter niet over vondsten die bewijzen dat andere Aziatische mensachtigen, zoals de ‘hobbits’ en H. luzonensis, over samengestelde technologie beschikten. Dat betekent dat zij waarschijnlijk geen boten of vlotten konden bouwen.
De golven trotseren
Het lijkt erop dat mensen 50.000 jaar geleden voor het eerst Australië aandeden. Veel eilanden van nu waren destijds over land bereikbaar dankzij de lage zeespiegel, maar om Australië te bereiken, moesten mensen de zee oversteken. Bron en beeld: Maximilian Dörbecker (Chumwa).
Griekse werktuigen
De enige soort die dat misschien wél kon, waren de neanderthalers. Neanderthalers zijn lang gezien als een stel dommekrachten, maar inmiddels is bekend dat hun vaardigheden en vermogens sterk leken op die van de moderne mens. Ze konden zich goed aanpassen en overleefden even gemakkelijk in Zuid-Spanje als in het Siberische Altajgebergte. Ze begroeven hun doden, beschilderden rotswanden en maakten sieraden van schelpen. En ze konden touwen en soortgelijk vlechtwerk maken. ‘Dat was een grote ontdekking’, zegt Cherry.
‘Het idee dat neanderthalers de zee op gingen, of in elk geval grote watervlakten overstaken, vindt bij veel mensen weerklank’, zegt Gaffney. ‘Dat is vooral het gevolg van vondsten op de Ionische Eilanden, voor de kust van Griekenland.’ Daar liepen al zo’n 110.000 jaar geleden mensachtigen rond, een periode waarin de neanderthalers Europa domineerden.
Ook op nog verder gelegen Griekse eilanden zijn bewijzen gevonden voor dit idee. Op Kreta zijn stenen werktuigen aangetroffen die naar verluidt tussen de 130.000 en 110.000 jaar oud zijn, hoewel precieze datering nog op zich laat wachten. Even oude werktuigen zijn ontdekt op het nabijgelegen eiland Gavdos. En een wetenschappelijk artikel uit 2019 maakt melding van de vondst van 9000 stenen gebruiksvoorwerpen die kenmerkend zijn voor neanderthalers, op het eiland Naxos. De oudste zijn van zo’n 200.000 jaar geleden.
‘Steeds meer onderzoekers accepteren dat de eerste mensen, en misschien zelfs al mensachtigen zoals de neanderthalers, ruim 200.000 jaar geleden de zee overstaken naar de Griekse eilanden’, zegt Runnels.
Onvoorstelbaar moedig
Dat onze verre voorouders, en misschien ook onze ‘neven’ de neanderthalers, grote watervlakten overstaken, zegt veel over hun vaardigheden en hun manier van denken. Om een reis te maken moet je eerst materialen verzamelen en een vaartuig bouwen. Ze moesten dus vele stappen vooruit kunnen plannen. ‘Ze konden aan de toekomst denken’, zegt Gaffney.
En dat mensen en mensachtigen de zee opgingen, laat nóg iets zien – iets wat niet in fossielen is terug te vinden. Ze werkten samen. Een boot bouwen, is een hele klus. ‘Je vermindert de werklast door met meerdere mensen aan de slag te gaan’, zegt Gaffney.
Daarnaast wijst de vroege zeevaart op iets wat zich nog moeilijker in archeologische vondsten laat vastleggen: moed. ‘Ik ben in van die nagebouwde Noorse Vikingschepen geweest’, zegt Blankshein. ‘Die zijn behoorlijk stevig.’ Maar dat geldt niet voor eenvoudigere vaartuigjes. ‘Moet je je voorstellen dat je in zo’n met dierenhuiden bespannen houten bootje stapt om een verre reis te maken… De meeste mensen zouden er niet eens aan denken.’
Maar sommige mensen uit de prehistorie, zoals degenen die minstens 8500 jaar geleden naar Malta voeren, zullen in zulke bootjes zijn gestapt en het risico hebben genomen, op zoek naar nieuwe landen waarvan ze niet eens zeker wisten of ze bestonden, gezien hun ligging ver achter de horizon. Het waren onvoorstelbare, inspirerende sprongen in het ongewisse. En ze voerden onze voorouders de hele aardbol over.
Dit artikel is verschenen in New Scientist Nr 145 | Juli/augustus 2026. Deze editie vind je in ons digitaal archief.

Geef een reactie