New Scientist prijsvraag

In verband met het Gala van de Wetenschap in Amsterdam, heeft New Scientist de volgende wetenschapsquiz voor u samengesteld.

Geef antwoord op onderstaande vragen, stuur de juiste antwoorden door naar info@newscientist.nl en maak kans op één van de volgende prijzen. Uiterste inzenddatum is 10 december 2014.

001_NS16_Cover HERSTEL.inddklassieke sterrenkunde

higgs200901141156777

De vragen:

1 Een covalente binding is:

A Een binding die uitsluitend tussen een koolstof- en waterstofatoom kan bestaan.

B Een binding tussen atomen waarin de atomen één of meer elektronenparen delen.

C Een binding tussen twee atomen die energetisch ongunstig is en daarom slechts zeer kort kan bestaan.

2 Een harmonische oscillator is:

A Een oscillator – zoals een massa aan een veer – waarvan de tijdsevolutie wordt beschreven door een sinus-achtige functie en waarvan de frequentie enkel afhangt van de karakteristieken van het systeem.

B Een voorwerp dat precies op een specifieke frequentie oscilleert, zodat de trillingen in het systeem elkaar versterken. Een voorbeeld hiervan is een brug, waarvan de pijlers door de wind harmonisch gaan oscilleren, totdat de brug uiteindelijk instort.

C Een oscillator – zoals een veer of slinger – die exact in balans is en daardoor niet beweegt. Dit precaire evenwicht kan door de kleinste inbreng al verbroken worden, waarna de oscillator niet meer harmonisch is en gaat trillen.

3 Diagenese is: 

A Een term uit de geologie, die staat voor elke chemische, fysische of biologische verandering die een sediment ondergaat,nadat het afgezet is.

B Een geslacht van kevers uit de familie van de bladhaantjes. Het geslacht is voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1837.

C In de wiskunde is dit een vierkante nxn-matrix, waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal gelijk zijn aan nul. De diagonale elementen kunnen al of niet gelijk zijn aan nul.

4 Nederland kent een zogenaamd progressief inkomstenbelastingstelsel, met verschillende belastingschijven. Een vereenvoudigde kleine rekensom: er bestaan drie schijven, de eerste schijf tot dertigduizend euro met dertig procent belasting, een tweede schijf tot vijftigduizend euro met veertig procent belasting en een laatste schijf daarboven met vijftig procent belasting. Hoeveel belasting betaal je over een bruto jaarinkomen van zestigduizend euro?

A 30.000 euro.

B 27.000 euro.

C 22.000 euro

5 In de middeleeuwen werden mensen minder oud dan nu. De gemiddelde leeftijden in die tijd werden sterk gedrukt door de enorme kindersterfte. Als je eenmaal volwassen was, was je levensverwachting een stuk hoger. Welke leeftijd kon een 21-jarige man uit de middeleeuwen redelijkerwijs verwachten te bereiken?

A Ongeveer 35 jaar.

B Ongeveer 65 jaar.

C Ongeveer 75 jaar.

6 Slechts één van de volgende drie beweringen is waar. Welke is het?

A Mensen verliezen de meeste lichaamswarmte door hun hoofd.

B Als je het ziet bliksemen en telt totdat je de knal hoort, heb je een goede maat voor jouw afstand tot de onweersbui te pakken.

C Als je minder dan een uur voordat je gaat zwemmen nog eet, loop je een verhoogd risico op spierkrampen.

7 Bij verkiezingen zien we met enige regelmaat peilingen langskomen. Meestal noemen die peilingen zetelaantallen, maar achter die zetelaantallen gaan percentages verscholen. Die stempercentages worden gepeild – inclusief foutmarge. Wat betekent het als een peiling bijvoorbeeld meldt dat de VVD 22,4 procent van de stemmen gaat krijgen met een foutmarge van 0,7 procent?

A Het betekent dat de kans 100 procent is dat de VVD minimaal 21,7 procent van de stemmen krijgt.

B Het betekent dat de kans 95 procent is dat de VVD tussen de 21,7 en 23,1 procent van de stemmen krijgt.

C Dit betekent dat het 99,3 procent zeker is dat de VVD 22,4 procent van de stemmen krijgt.

8 Wie zijn kleding schoon wil krijgen, gebruikt daarvoor scheikundig behoorlijk complexe producten. De tijd van onze grootouders, waarin water en zeep nog de boventoon voerden, ligt daarin definitief achter ons. De huidige wasmiddelen bevatten behoorlijk veel ingrediënten die allemaal een andere functie hebben. Eén daarvan staat in wasmiddeljargon bekend als builder (bouwer). Typische voorbeelden zijn natriumcarbonaat en zeolieten. Waarvoor dienen die stoffen?

A Om de hardheid van het water aan te passen; dat wil zeggen om (calcium)ionen uit het water te verwijderen die andere stoffen in het wasmiddel zouden kunnen beïnvloeden.

B Ze dienen als bleekmiddel – om kleurstoffen op te breken in vlekken of om de was witter te maken.

C Om hardnekkige vlekken te verwijderen door ze af te breken, zoals vetvlekken of vlekken met veel eiwitten of koolhydraten.

9 In Nederland en België komen de kruisspin, de trilspin en de grijze huisspin voor, maar dit zijn niet de enige typen spinnen. Hoeveel verschillende soorten spinnen komen er in Nederland en België voor?

A Ongeveer 700

B Ongeveer 7000

C Ongeveer 70.000

10 Deze constante uit de scheikunde is vernoemd naar een Italiaanse wetenschapper die leefde tussen 1776 en 1856. Toch was deze Italiaan niet degene die de constante ontdekte. Dat deed de Franse fysicus Jean Baptiste Perrin pas 53 jaar na de
dood van de Italiaan, hoewel Baptiste daarvoor wel het werk van de Italiaan nodig had. Over welke constante, die gedefinieerd is als het aantal deeltjes in één mol van een bepaalde stof, hebben we het hier?

A Het getal van Cabbibo.

B Het getal van Hubble.

C Het getal van Avogadro.