Op deze pagina vindt u de profielen van de kanshebbers op de titel New Scientist Wetenschapstalent 2025. Uw stem uitbrengen, doet u hier. Uit de vijf talenten met de meeste stemmen kiest de vakjury de winnaar. Tijdens Weekend van de Wetenschap op 4 en 5 oktober maken we de winnaar bekend.
Hoe werkt de verkiezing?
Universiteiten, hogescholen en kennisinstellingen uit Nederland en Vlaanderen hebben de afgelopen maanden jonge talenten aangedragen. Hieruit zijn deze 15 kanshebbers geselecteerd, die uit allerlei verschillende hoeken van de wetenschap komen.
Vanaf donderdag 21 augustus tot maandag 8 september kunt u op deze pagina stemmen op uw favoriet.

Helena Aegerter (1991) – Geneeskunde
Vlaams Instituut voor Biotechnologie
Bij astma denk je al snel aan benauwdheid of een piepende ademhaling. Maar achter die ademnood zit een minder zichtbaar probleem: slijm. Helena Aegerter onderzoekt waarom astmatisch slijm zo extreem plakkerig en taai is, en hoe dat leidt tot verstopte luchtwegen. In samenwerking met artsen, chemici en bedrijven ontwikkelde ze synthetisch menselijk slijm, dat ze inbrengt bij muizen om het probleem tot op celniveau te bestuderen. Zo ontdekte ze dat bepaalde immuuncellen stoffen aanmaken die het slijm extra taai maken – en vond ze manieren om dat proces om te keren. Dankzij haar aanpak komt er meer aandacht voor slijmpropvorming bij astma en wordt er gewerkt aan behandelingen die patiënten letterlijk lucht geven.

Sarah Ahannach (1995) – Biologie en biotechnologie
Universiteit Antwerpen
In de vagina leven miljoenen micro-organismen. Die vervullen belangrijke functies voor je gezondheid, zoals bescherming tegen infecties. Tot nu toe was er nog weinig bekend over dit microbioom, maar daar brengt Sarah Ahannach verandering in. Zij doet onderzoek naar het vaginale microbioom en welke factoren – zoals voeding of hormonen – hier invloed op hebben. Haar werk leidt niet alleen tot academische doorbraken, maar ook tot praktische toepassingen. Hiervoor gebruikt ze citizen science: deelnemers van het onderzoek leveren niet alleen intieme samples aan, ze denken ook mee. Ze is projectleider van ’s werelds grootste citizen science-project over het vaginale microbioom, genaamd Isala. Met haar onderzoek hoopt ze vrouwengezondheid uit de taboesfeer te halen en wetenschap inclusiever en toegankelijker te maken.

Aranka Ballering (1994) – Gezondheidswetenschappen
UMC Groningen
Aranka Ballering wil de gezondheidszorg sekse- en gendersensitiever maken en doet daarvoor onderzoek met grote datasets. Gendernormen zijn vaak subtiel en onbewust. Data kan onzichtbare patronen zichtbaar maken en zo hardnekkige aannames doorbreken. Ballering toonde aan dat vrouwen en mensen met vrouwelijke genderrollen meer onverklaarde, ernstigere en langdurigere lichamelijke klachten ervaren, minder diagnostisch onderzoek krijgen en vaker worden gestigmatiseerd dan mannen en mensen met mannelijke genderrollen. Ze combineert haar epidemiologische inzichten met sociologische en historische invalshoeken en plaatst haar bevindingen zo in een brede wetenschappelijke context. Door aan te tonen dat verschillen in gezondheid en zorg tussen mannen en vrouwen niet alleen biologisch bepaald zijn, maar ook geworteld zijn in socio-culturele normen, hoopt ze de manier waarop we naar gezondheidsverschillen kijken te veranderen.

Antonija Grubišić-Čabo (1990) – Natuurkunde
Rijksuniversiteit Groningen
Kun je je voorstellen dat er materialen bestaan die zo dun zijn, dat ze alleen uit een flinterdun oppervlak bestaan? Voor Antonija Grubišić-Čabo is het dagelijkse kost. Deze tweedimensionale materialen hebben unieke eigenschappen. Zo kunnen ze elektrische stroom geleiden zonder dat er energie verloren gaat. Als we apparaten kunnen bouwen met deze materialen, zou dat wereldwijd enorme hoeveelheden energie besparen. Daarmee kunnen ze een sleutelrol spelen in de strijd tegen klimaatverandering. Grubišić-Čabo ontwikkelde een nieuwe methode om zulke tweedimensionale materialen te maken: KISS. Dat staat voor Kinetic In situ Single-layer Synthesis. Dankzij de eenvoud van deze techniek komt de ontwikkeling van nog duurzamere elektronica weer een stap dichterbij.

Brian Hare (1990) – Natuurkunde
ASTRON
Bliksem is een spectaculair natuurfenomeen dat wetenschappers al honderden jaren bezighoudt. Toch is het nog altijd niet helemaal duidelijk hoe bliksem werkt. Brian Hare deed verschillende ontdekkingen die kunnen bijdragen aan het ontrafelen van deze complexe puzzel. Zo ontdekte hij naaldachtige structuren op positief geladen bliksemschichten, die mogelijk kunnen verklaren waarom bliksem vaak meerdere keren op dezelfde plek inslaat. Verder ontdekte Hare met zijn team boven Nederlandse donderwolken zogenoemde ‘vonken’, die veel korter zijn dan een typische bliksemschicht. Na uitgebreid onderzoek concludeerden ze dat deze vonken op een vergelijkbare manier werken als normale bliksemverschijnselen, in tegenstelling tot wat eerder werd gedacht. Uiteindelijk hoopt hij met zijn onderzoek twee fundamentele vragen te kunnen beantwoorden: hoe ontstaat bliksem, en hoe beweegt het zich voort door de lucht?

Sophie Hermans (1992) – Technische natuurkunde
Technische Universiteit Delft
Het internet speelt pas een paar decennia een grote rol in ons leven, maar we kunnen nu al niet meer zonder. Inmiddels werken natuurkundigen aan de ontwikkeling van een radicaal nieuw internet: het quantuminternet. Sophie Hermans bouwde met haar collega’s aan het allereerste quantumnetwerk ter wereld. Met elektrische pulsen en licht kan zij in een kristal een enkel atoom aansturen. Zo zijn ze er al in geslaagd om quantuminformatie te teleporteren. Dit opent de deur naar een nieuwe generatie quantumnetwerken. Dit toekomstige quantuminternet zal het mogelijk maken superveilig en volledig privé informatie te versturen. Omdat dit maatschappelijke gevolgen heeft, praat Hermans hier in dit vroege stadium al graag over met een breed publiek.

Lonneke IJsseldijk (1991) – Diergeneeskunde
Universiteit Utrecht
Wat vertellen aangespoelde bruinvissen over de staat van de zee? Lonneke IJsseldijk onderzoekt de gevolgen van menselijke activiteiten – van visserij tot vervuiling en windmolenparken – voor de gezondheid en overleving van zeezoogdieren. Via autopsies op gestrande dieren ontrafelt ze niet alleen hun doodsoorzaak, maar ook bredere ecologische trends. Zo ontdekte ze dat chemische verontreiniging en bijvangst grote gevolgen hebben voor de voortplanting van bruinvissen. Ook de verrassende oorzaken van massale strandingen bracht ze in kaart. Met livestreams van de autopsies in musea betrekt ze het publiek bij haar werk. Haar onderzoek herinnert ons eraan hoe nauw de gezondheid van zeezoogdieren, hun leefomgeving en de mens met elkaar verbonden zijn.

Glenn Kiekens (1991) – Psychologie
Katholieke Universiteit Leuven en Tilburg University
1 op de 7 jongvolwassenen heeft zichzelf weleens met opzet verwond. Wat als we kunnen ingrijpen vóór het misgaat? Dat is precies wat Glenn Kiekens nastreeft. Met grootschalige studies, klinisch werk en digitale tools onderzoekt hij wie wanneer risico loopt en wat we daaraan kunnen doen. Hij toonde aan dat gedachten aan zelfverwonding snel kunnen omslaan in actie – vaak ’s avonds, buiten het zicht van de hulpverlening. Door die momenten te herkennen, wordt vroegtijdig ingrijpen mogelijk. Kiekens’ werk, waaronder de eerste WHO-studie naar zelfverwonding, toont aan dat gerichte preventie het verschil maakt: het aantal ernstige gevallen kan zo tot de helft omlaag. Het streven is dus: niet wachten tot het misgaat, maar tijdig herkennen en handelen.

Ofra Klein (1993) – Sociale en politieke wetenschappen
Erasmus Universiteit Rotterdam
Polarisatie en radicalisering spelen een steeds grotere rol in de samenleving, mede door de groei van extreemrechtse bewegingen in het afgelopen decennium. Ofra Klein onderzoekt hoe deze groeperingen sociale media inzetten om zich te organiseren en hun boodschap te verspreiden. Ze bestudeerde een grote verzameling beelden en teksten van diverse platforms in verschillende landen. Hieruit blijkt dat sociale media een belangrijk onderdeel zijn van de mobilisatie van extremistische bewegingen. Haar werk brengt aan het licht hoe extreemrechtse individuen en groepen hun strategieën aanpassen per platform, bijvoorbeeld door gecodeerde taal te gebruiken om moderatieregels te omzeilen. Ze toont zo aan hoe platformontwerp, algoritmen en moderatie bijdragen aan radicalisering en benadrukt het belang van effectieve regulering en platformmoderatie.

Natasha Mason (1992) – Farmaceutische wetenschappen
Maastricht University
Psychedelica roepen vaak beelden op van festivals en tegencultuur, maar volgens Natasha Mason schuilt er een therapeutische doorbraak in. Zij was een van de eersten die aantoonde dat een enkele dosis psychedelica psychische klachten zoals depressie en angst kan verlichten. Haar onderzoek liet zien dat deze middelen tijdelijk het aanpassingsvermogen van het brein vergroten; op dat moment kan therapie extra effectief zijn. Ze combineert medicijnstudies met hersenscans en cognitieve tests om te begrijpen hoe deze veranderingen in het brein tot stand komen en hoe we psychedelica beter en veiliger kunnen inzetten als behandeling voor mentale problemen. Haar werk biedt niet alleen perspectief op duurzame geestelijke gezondheid, maar draagt ook bij aan de discussie over verantwoord drugsbeleid en nieuwe behandelvormen.

Sam Mattheus (1993) – Wiskunde
Vrije Universiteit Brussel
Chaos is moeilijk in formules vast te leggen, maar met de zogeheten Ramsey-theorie kun je het toch wiskundig beschrijven. Dit komt bijvoorbeeld van pas bij dataverwerking. De Britse wiskundige Frank Ramsey stelde vast dat chaos in grote wiskundige netwerken – groepen punten met verbindingen ertussen – onmogelijk is. Maar hoe groot is ‘groot’? Dit vraagstuk bleef een eeuw onbeantwoord, maar Sam Mattheus wist het op te lossen. Hij gebruikte hiervoor een compleet nieuwe methode. Die ontstond doordat hij kennis uit zijn eigen vakgebied, de meetkunde, gebruikte voor onderzoek naar het vakgebied van de Ramsey-theorie. Deze samensmelting van disciplines werd enthousiast ontvangen in de wiskundige gemeenschap. Zijn methode brengt ook de oplossing van andere decenniaoude problemen binnen handbereik.

Ruud van Sloun (1990) – Elektrotechniek
Technische Universiteit Eindhoven
Voor artsen is echografie een belangrijke techniek om een kijkje in het lichaam te nemen. Maar helaas is echografie lastig en mislukken echo’s vaak. Ruud van Sloun brengt hier verandering in. Hij werkt aan een totaal nieuwe manier van medische beeldvorming, door algoritmen te ontwikkelen waarmee een apparaat al tijdens de beeldvorming kan reageren op wat het ziet. Zo kunnen de echosystemen zelfstandig belangrijke diagnostische informatie opsporen en vastleggen. Dit levert snellere echo’s met hoge kwaliteit op. Van Sloun zorgt er ook voor dat zulke nieuwe kennis bij artsen terechtkomt. Hij hoopt dat de iconische stethoscoop om de nek van artsen ooit het veld zal ruimen voor een slim echoscopieapparaat in de jaszak.

Clara Stegehuis (1991) – Wiskunde
Universiteit Twente
Hoe verspreidt een epidemie? Wanneer gaat een post op sociale media viraal? Is de kwaliteit van ons 5G-netwerk voldoende? Hoewel deze vragen op het eerste gezicht heel verschillend lijken, gaan ze wiskundig gezien allemaal over ‘dingen’ die zich verspreiden over netwerken. Zulke netwerken kun je visualiseren als punten die met lijnen verbonden zijn. Clara Stegehuis gebruikt wiskundige technieken om bovenstaande vragen op een abstract niveau beantwoorden. Ze maakte onder meer een wiskundig model over interacties tussen verschillende groepen mensen. Dit model voorspelt hoe mensen zich gedragen en geeft inzicht in hoe informatie zich in zulke netwerken verspreidt. Dit helpt bijvoorbeeld begrijpen hoe fake news in bepaalde ‘bubbels’ blijft.

Adwine Vanslembrouck (1994) – Biologie
Instituut voor Tropische Geneeskunde
Zeg je ‘mug’, dan denken de meeste mensen aan jeukende bulten en hinderlijk gezoem. Maar muggen zijn meer dan alleen vervelend: ze kunnen ook virussen overdragen en zo een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Insecticiden bieden een oplossing, maar Adwine Vanslembrouck toonde aan dat de huismug in België inmiddels resistent is tegen het overgrote deel van deze bestrijdingsmiddelen. Gelukkig ontdekte ze ook een alternatief: waterroofkevers kunnen bijdragen aan het onderdrukken van muggenpopulaties. Door dit soort ecologische relaties slim in te zetten, ontstaat een duurzamer perspectief op muggenbestrijding. Het onderzoek van Vanslembrouck heeft zelfs al invloed gehad op Europese regelgeving rond insecticiden – een belangrijke eerste stap naar een gezondere en meer evenwichtige aanpak.

Milan Wolffgramm (1994) – Bedrijfskunde
Hogeschool Saxion
Robotica gaat een steeds grotere rol spelen op de werkvloer, maar dat hoeft geen probleem te zijn. Milan Wolffgramm onderzoekt hoe mens en machine elkaar kunnen versterken, juist nu de beroepsbevolking krimpt. In zijn werk staan niet de robots centraal, maar de mensen die ermee moeten werken: van technici tot mbo-studenten. Samen met hen ontwikkelde hij werkopstellingen waarin mens en robot duurzaam samenwerken. Daarbij liet hij zien hoeveel praktisch ontwerptalent vaak onbenut blijft. Ook ontwierp hij tools en voorlichtingsmateriaal waar bedrijven en onderwijsinstellingen meteen mee aan de slag kunnen. Zijn onderzoek biedt perspectief op een toekomst waarin robotica niet vervangt, maar ondersteunt en waarin vakmensen zelf de regie houden over hoe die toekomst eruitziet.
Volg de winnaar!
Tijdens Weekend van de Wetenschap (4 en 5 oktober) maken we bekend wie zich het New Scientist Wetenschapstalent 2025 mag noemen. Kort daarna leest u in Het Parool een interview met de winnaar. Bovendien betreedt de winnaar op 25 november 2025 het podium tijdens het Gala van de Wetenschap, waar die zal spreken over het eigen onderzoek – een feestelijk moment dat plaatsvindt tussen lezingen van andere topwetenschappers zoals geneticus Hans Clevers, deeltjesfysicus en schrijver Margriet van der Heijden en natuurkundige Ralf Mackenbach.
